Reanimatienetwerk wordt uitgebreid

Het reanimatienetwerk Hart voor Limburg wordt uitgebreid. Naast vrijwilligers die opgeroepen worden bij hartstilstanden wil AmbulanceZorg Limburg­Noord vrijwilligers gaan inzetten bij andere 112­meldingen.

 ERIC SEUREN – Dagblad De Limburger

Daarbij valt onder meer te denken aan valincidenten of onwelwordingen waarvoor het alarmnummer 112 wordt gebeld. Dit zijn bovendien enkel incidenten die in en rondom het huis plaatsvinden en niet in publieke ruimtes. Dit om vrijwilligers te beschermen van onvoorspelbare omstandigheden zoals drukke wegen en opdringerige of filmende omstanders.

Ook wordt er voor de uitbreiding van het project gekeken naar een kleinere groep vrijwilligers. Hadden de huidige Hart voor Limburg-vrijwilligers enkel een reanimatiediploma nodig, nu zijn er meer eisen. „We kijken nadrukkelijk naar mensen met een achtergrond in de zorg of die bij de brandweer werken. Misschien dat deze mensen nu ook al bij de huidige groep zitten, maar dat weten we niet omdat we in het verleden niet naar de achtergronden van vrijwilligers hebben gekeken”, vertelt Leon Triepels van AmbulanceZorg Limburg-Noord.

Bedoeling is dat in het voorjaar van 2018 gestart wordt met een proef in een nog nader te bepalen gemeente. Hier moet gekeken worden of vrijwilligers – net als bij hartstilstanden – in afwachting van de komst van een ambulance al kunnen beginnen met het inschatten van de situatie en de eerste levensreddende handelingen.

In het geval van hartstilstanden heeft het burgerhulpnetwerk in Limburg zich meer dan bewezen. Door de inzet van vrijwilligers en aed’s in de openbare ruimte zijn de overlevingskansen van mensen die thuis een hartstilstand krijgen gestegen van 10 procent in 2008 naar 27 procent nu. Van die groep ‘overlevenden’ kan 92 procent na verloop van tijd terug naar huis.

Nergens anders in Nederland liggen die cijfers zo hoog. Volgens Triepels komt dat door het grote netwerk dat in de loop der jaren in de provincie is opgezet. Naast 12.500 vrijwilligers werken ook de Open Universiteit en Maastricht UMC+ mee.

Terug naar overzicht